De plaats van de verbeelding

DE UTOPISCHE WERELD VAN PAUL NOBLE

Door Christel Vesters

In 1997 legde de Britse kunstenaar Paul Noble (1963) de laatste hand aan wat in de jaren daarna het fundament zou worden van zijn ‘oneindig groeiende metropool’, Nobson Newtown. De serie tekeningen getiteld Quarry A-Z bestaat uit vijf delen, sommige met afmetingen van twee meter breed en anderhalve meter hoog. De zwart-witte potloodtekeningen tonen een enorme klif waar onderlangs een strook zand loopt. Op dit strand zijn witte sokkels met glazen vitrines geplaatst met daarin verschillende objecten. Deze objecten, die door hun steriele, white-cube-presentatie onmiddellijk de status van ‘sculptuur’ krijgen, blijken bij nadere beschouwing uit steen gehouwen blokletters te zijn, die van links naar rechts het westerse alfabet vormen, A tot en met Z.

Paul Noble, Nobsend, 1997

Paul Noble, Nobsend, 1997, potlood op papier, 150 x 200 cm

Boven langs de kade, langs de randen van het papier, zijn op sommige plekken tekenen van een bewoonde wereld te ontwaren: een wit metselmuurtje, picknickbanken binnen een omheining. Op de tekening Quarry G-M (1997) is een grot of ondergrondse tunnel te zien, waarvan de ingang is afgesloten met een gietijzeren hek. En op weer andere plaatsen slingeren verschillende trappen langs de klif van het strand naar boven, richting Nobson Newtown.

De serie Quarry A-Z werd onder meer gevolgd door de Chemical and Light Industry Plant of Nobson (1997), het Nobspital (1997-1998), het Nobpark (Big Tent) (1998), het nieuwe non-centrum van de stad, Nobson Central (1998-1999), de Public Toilet (1999), de Mall (2001-2002), een Cathedral (2011) en de Prisonob (2013). Stukje bij beetje bouwde Noble via tekeningen en later ook via sculpturen en video’s aan de geografie, geschiedenis en mythologie van Nobson Newtown. Het geheel maakt duidelijk dat het hier om meer gaat dan een architectonisch visioen waarbij de kunstenaar zich heeft uitgeleefd in de verbeelding van een denkbeeldige stad.
Lees verder

Verslag Geoff Dyer bijeenkomst

Voorafgaand aan de Gidslezing op 11 december was er een Vuurliniebijeenkomst over het werk van de Britse schrijver en essayist Geoff Dyer. De aanwezigen bespraken onder leiding van Mischa Andriessen en Nina Polak De Zone gelezen, het laatste verhaal van Dyer uit de bundel Yoga voor mensen die te beroerd zijn om eraan te doen. De tekst van De Zone is een opmerkelijke stijlverandering in vergelijking met de voorgaande stukken, er komt qua thematiek veel terug uit de voorgaande hoofstukken. Er heerste al snel een consensus dat het is raadzaam om ook de hele bundel te lezen (aldus Dyer-kenner Jan Postma).

Tijdens de bijeenkomst suggereerde Dirk van Weelden dat het bovendien interessant is om het stuk naast de reportage van Wells Tower te leggen over zin trip naar Burning Man met zijn vader. Dit artikel is in zijn geheel te lezen op de site van GQ.com. Beiden stukken spelen zich af tijdens het Burning Man festival in de Black Rock Desert in de staat Nevada, maar de narratief en de boodschap wordt op zo’n radicaal andere manier verteld dat Van Weelden zich afvroeg of Dyers gefragmenteerde aanpak in die zin wel effectief is.

Wat er te zeggen valt

EEN MENING GEVEN OVER HEDENDAAGSE POEZIË IS NIET GENOEG

Door Mischa Andriessen

Wie zinnig over poëzie wil spreken, begint het best met poëzie te lezen. Dat klinkt dermate vanzelfsprekend dat het mogelijk belerend overkomt. Maar zo eenvoudig is het niet. Nog even afgezien van het feit dat er vaak vol overgave wordt gesproken over boeken die niet of nauwelijks zijn gelezen, wordt er momenteel vooral ook veel naar poëzie geluisterd. Voordrachten van poëzie worden relatief druk bezocht en hoe waardevol die ook kunnen zijn, het is onwaarschijnlijk dat beluistering de beste manier is om meerduidige gedichten te begrijpen.

Wezenlijker nog is dat gedichten vaak ingewikkeld zijn en het lezen van poëzie speciale vaardigheden vergt. Doorgaans meer dan bij proza is in poëzie belangrijk hóé het er staat, de regelafbrekingen, het ritme en de melodie van de zinnen, de compacte vorm met vaak nogal wat wit en veel wat niet letterlijk wordt gezegd, maar geïmpliceerd – dat alles zorgt ervoor dat een gedicht meestal meer is dan de letterlijke tekst. De vorm, of die nu strak is of vrij, is een tweede speler die soms onderstreept wat er woordelijk staat, maar dat op andere momenten evengoed kan tegenspreken.

Het vaak aangehaalde citaat van de dichter Martinus Nijhoff ‘Lees maar, er staat niet wat er staat’ laat zien dat veel gedichten hun betekenis niet makkelijk prijsgeven en dat het lezen van poëzie daarom oefening, aandacht en invoelingsvermogen vergt. Afschrikwekkend hoeft dat niet te zijn, maar waar begin je? Wat mij betreft niet op de plek waar veel middelbareschooldocenten hun prille lezers heen hebben geleid: de symbolische lagen en verborgen betekenissen. Dat die er vaak wel degelijk zijn, hoeft niet te betekenen dat je ze meteen moet herkennen. Ik zou zeggen: vergeet Nijhoff even, en lees om te beginnen wat er in het gedicht staat. Dat, zoals we zullen zien, ook professionele lezers hierbij de plank soms misslaan is evenmin een reden om er niet aan te beginnen. Dit essay gaat over mijn ervaring met het lezen van poëzie, en over een afgeleide vorm daarvan: de poëziekritiek. Waarom? Omdat het van wezenlijk belang is poëzie te lezen als je erover wilt spreken, en het waardevol is wanneer er op een betekenisvolle manier over poëzie wordt gesproken.

Lees verder